poort kluis 1 png

 

 

2017flyervoorkant

 

  We zijn open op zaterdag en zondag

"Het dagelijkse leven en smokkel tijdens de Eerste Wereldoorlog"

vanaf 1 juli 2017 tot en met 29 oktober 2017 en van 7 april 2018 tot en met 27 mei 2018

Elke zaterdag en zondag van 12-16u (niet op Pinksteren) 

 (niet op maandag) Groepen op aanvraag

Koninklijke Buskruitfabriek Cooppal Caulille

DE OPRICHTING VAN COOPPAL

Duitsers op Cooppal 2De buskruitfabriek COOPPAL werd in 1778 opgestart in Wetteren (Oost-Vlaanderen). In 1847 verleende Koning Leopold I de fabriek de uitzonderlijke titel van ‘KONINKLIJKE’.
Wegens de steeds groeiende vraag naar springstoffen werd de uitbreiding van de fabriek noodzakelijk. Ook de spreiding van het risico drong zich op, zeker toen de vestiging in Wetteren in 1880 getroffen werd door een zware ontploffing met tal van slachtoffers en grote materiële schade.

Cooppal besliste om in Kaulille een nieuwe productie-eenheid op te starten. Dat gebeurde op om veiligheidsredenen afgelegen gronden, buiten de dorpskom, pal aan het Kempisch kanaal, in de nabijheid van spoorwegen, en waar men ook kon rekenen op de aanwezigheid van het fel begeerde elzenhout. De bouwwerken startten in 1882 op een terrein van circa 180 hectare en de productie ging al van start in juni 1883. Om de kracht van het kruit te testen werd ook een terrein voor schietproeven met geweren en kanonnen aangelegd.

 

Georges Van Vijve werd in 1882 de eerste directeur van het filiaal van Kaulille. Onder zijn leiding ontwikkelde het bedrijf zich tot een succesvolle onderneming, tevens een voorloper op het vlak van sociale voorzieningen. De oprichting in 1895 van een ‘Caisse de secours’ (Hulpkas) was immers zeer uitzonderlijk voor die tijd. In 1914 stelde de buskruitfabriek een honderdtal arbeiders tewerk. Op het hoogtepunt van de activiteiten, tijdens de zestiger jaren, telde Cooppal meer dan 600 werknemers.

 

COOPPAL TIJDENS DE EERSTE WERELDOORLOG

De buskruitfabriek van Kaulille was munitieleverancier voor het Belgische leger. Het was dan ook aangewezen dat de militaire overheid na de inval van de Duitsers de nodige voorzorgen zou nemen voor de bewaking van de fabriek. Op 23 september 1914 werd een compagnie vrijwilligers, onder leiding van onderluitenant Buysschaert, vanuit het kamp van Beverlo naar Kaulille gestuurd om de bewaking over te nemen van de burgerwacht.

 

buyschaertpngDe compagnie bestond uit 105 vrijwilligers, bewapend met verouderde éénschots Grasgeweren. De numerieke overmacht van de aanstormende Duitsers was evenwel van die aard dat de Belgische vrijwilligers gedwongen werden om zich op 7 oktober 1914 via Hamont terug te trekken over de Nederlandse grens in Budel, waarna ze werden geïnterneerd. Vooraleer de buskruitfabriek in Kaulille te verlaten, waren ze er evenwel nog in geslaagd om het afgewerkte buskruit naar het station in Hamont te vervoeren en de fabricagemachines buiten werking te stellen.

Na de bezetting van de fabriek op 7 oktober 1914 was het de bedoeling van de ‘Kaiserliche Deutsche Verwaltung’ om met de hulp van de werknemers van de fabriek de buskruitproductie terug op te starten.

[Pulverfabrik Caulille – Kaiserliche Deutsche Verwaltung]

Ondanks de belofte van een rijkelijke vergoeding weigerden zij evenwel het werk te hervatten. Om hun patriottische houding kracht bij te zetten, werden de werkweigeraars drie jaar lang financieel ondersteund door de directie van Cooppal. Het geld werd in Nederland ter beschikking gesteld op het postkantoor van Budel. Daar werd het opgepikt en door de draadversperring gesmokkeld. De middelen kwamen uiteindelijk toe bij de deken van Hamont en bij de pastoor van Lozen en werden van daaruit verder verdeeld.

De Duitsers lieten dan een 150-tal werklieden uit hun eigen land overkomen, maar slaagden er niet in om volwaardig buskruit te produceren. Einde mei 1915 staakten zij dan ook hun pogingen.

Van buiten uit werden verwoede pogingen geleverd om sabotageactiviteiten te ontplooien op het fabrieksterrein. Zo trachtte men de oliesmering bij de grootste stoommachine te ontregelen. Het werkhuis voor de productie van natte-schietkatoen ontplofte op 2 juni 1915: de dag daarop werd de werknemer Koentje Vos aan de grens aangehouden met aanzienlijke hoeveelheden springstoffen.

De Duitse legerleiding was bevreesd dat de buskruitfabriek het doelwit zou worden van een geallieerde luchtaanval. Daarom werd er een commando-eenheid geïnstalleerd voor zowel vaste als mobiele afweer.
[Ballon-Abwehr Kommando – Caulille 2 mei 1915]
Uit een Engelse luchtkaart van maart 1916 blijkt duidelijk dat er wel degelijk intenties bestonden om Cooppal te bombarderen. Op 29 juli 1916 werd er een luchtraid uitgevoerd, maar zonder veel succes.
[Duitse bezettingstroepen op Cooppal Caulille]
De fabriek bleef ook niet gespaard van leegroof: alle chemische producten werden naar Duitsland afgevoerd. Met de hulp van Poolse krijgsgevangenen werden de machines ontmanteld en eveneens naar Duitsland gebracht. Om onbekende redenen kwamen deze gedemonteerd terug, wat ook de snelle heropstart van de productie van artilleriekruit vanaf de zomer van 1919 verklaart.

FAMILIE VAN VIJVE IN ITALIE

Na zijn weigering om buskruit voor de Duitsers te produceren, moest fabrieksdirecteur Georges Van Vijve op de vlucht slaan. Met de hulp van enkele getrouwen slaagde hij erin om eind november 1914 samen met zijn zonen Raymond en Marcel naar Budel te vluchten.

In het voorjaar van 1915 scheidden de wegen van de broers Marcel en Raymond. Marcel trok in opdracht van de Belgische regering naar Engeland om er te helpen bij de productie van schietkatoen en springstoffen voor het Belgische leger. Raymond trok in juni 1915 naar Italië om er te helpen bij de aanmaak van kruit en munitie. De Société Cooppal zond in september 1916 vader Georges en broer Marcel met zijn gezin ook naar Italië, om Raymond te helpen met de productie van kruit in Ferrania. Ze bleven er tot het einde van de oorlog.


‘Ter herinnering aan de actieve en de intelligente medewerking die heeft geleid tot de overwinning van de Italiaanse zaak en verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen.
Aan Georges, Raymond en Marcel Van Vijve aangeboden door de dankbare collega’s
Ferrania 1915-1918’

De familie Van Vijve keerde pas begin 1919 terug naar Kaulille om er de productie van de buskruitfabriek terug op te starten.

VOEDING VAN DE DOODENDRAAD

Cooppal Caulille maakte vanaf 1898 voor het eerst gebruik van een nieuwe energiebron: elektriciteit, een voor die tijd spectaculaire ontwikkeling.
Eén decennium later beschikte de buskruitfabriek al over een volwaardig stroomnet van 500 volt. Kaulille zelf bleef tot 1924 verstoken van elektriciteit.

In 1915 beslisten de Duitsers om langs de Belgisch-Nederlandse grens een elektrische draadversperring aan te leggen met daarop een spanning van ongeveer 2.000 volt.
De vereiste hoogspanning werd geleverd door generatoren.
De generator van de buskruitfabriek Cooppal werd ingezet om de draadversperring aan de Maas, in Noord-Limburg en een deel van de Antwerpse Kempen te voorzien van hoogspanning.
De generator (drijfkracht) van 3 x 500 volt werd aangedreven door een Carels stoommachine.

 

Omdat een spanning van 500 volt te laag was voor de doodendraad, plaatsten de Duitsers achter de generator een transformator, die de spanning opvoerde naar 2.000 volt of meer.
Deze spanning werd via hoogspanningsleidingen naar de schakelhuizen gebracht en van daaruit via schakelaars naar delen van de grensdraad.
Op tal van manieren heeft men getracht het hoogspanningsnet te saboteren, onder andere door isolatoren aan de hoogspanningspalen te vernielen of door metalen draden op de leidingen te werpen. Hiervoor werd de gemeente Kaulille in 1917 een strafcontributie opgelegd van 400 Duitse mark.

logosbanner