poort kluis 1 png

 

 

2017flyervoorkant

 

  We zijn open op zaterdag en zondag

"Het dagelijkse leven en smokkel tijdens de Eerste Wereldoorlog"

vanaf 1 juli 2017 tot en met 29 oktober 2017 en van 7 april 2018 tot en met 27 mei 2018

Elke zaterdag en zondag van 12-16u (niet op Pinksteren) 

 (niet op maandag) Groepen op aanvraag

1914 18/8 - Moord op pastoor Tielen

Den 17de Augustus 1914 in den namiddag werd ‘t dorp ‘s Heeren Elderen letterlijk door de Duitschers overstroomd. Op een paar honderd Uhlanen, tegen één uur na den middag aangekomen, volgde onmiddellijk eene kolom voetvolk van ongeveer twee duizend man. Deze troepen kwamen van Haccourt bij Visé waar zij, zoo zij beweerden, den pastoor en verscheidene burgers doodgeschoten hadden onder voorwendsel dat men uit den kerktoren op hen geschoten had.

 

 

pastoor tielen ekselIn het kasteel te ‘s Heeren Elderen was de regimentschef gelogeerd en kampeerden wel drie honderd soldaten. Al deze troepen waren Saksers en Oldenburgers. De soldaten zagen er zoo dreigend en opgewonden uit dat, terwijl de E.H. pastoor G. Janssen voorbij ging bij de school, hij de manschappen luidop hoorde zeggen: “Wij zullen den pfarrer met petroleum begiessen. Ganz Belgien muss verschossen und plattgebrannt werden"“, enz.
Terwijl de pastoor met een Feldwebel en een tiental soldaten het onderzoek der kerk deed. weerklonk in de buurt een geweerschot, en uit al die monden te gelijk weerklonk: “Man hat geschossen! Sie, pfarrer, sie wuste was das heist! “ Zij liepen naar buiten, namen hunne geweren die in trossen voor de kerk opgesteld waren en leidden den pastoor naar ‘t kasteel waar reeds alles in opschudding was. Onmiddellijk omringd door de hooger officieren
- aldaar ingekwartierd - bevestigde de pastoor onveranderlijk: “Men heeft geschoten, doch niet in ‘t dorp maar wel op ‘t kasteel. Stel een onderzoek in!” Te midden dezer redetwist stond één der soldaten, die op eene graszode lag uit te rusten, op, kwam tot hij den kommandant, groette en zeide: “Herr Kommandant, das bin ich gewesen, mit das gewehr zu putzen ist der schus abgegangen!” Hij salueerde opnieuw en ging terug op zijne plaats als of er niets gebeurd ware.

Deze verklaring was eene zichtbare teleurstelling voor den grooten hoop der bandieten die niets dan op plundering uit waren. De E.H. pastoor, Nederlander, deed aan den overste opmerken: “Gij zegt dat, te Haccourt, de bevolking uit den toren geschoten heeft en dat de pastoor is doodgeschoten, doch indien deze soldaat zich niet had bekendgemaakt dan heette het ook dat er geschoten werd en het dorp werd platgebrand!
‘s Avonds werden de burgemeester Joseph Leva, de heer Jan Rigo en de pastoor als keizerlijke gijzelaars in de pastorij opgesloten. Gedurende den nacht werden van alle kanten geweerschoten gehoord, doch klaarblijkelijk niet uit ‘t dorp, want kommandant von Hart liet de gijzelaars gerust. De Duitschers hadden goed jacht gehouden. Eenige Duitschers kwamen enkele dagen daarna terug, plunderden gansch den neerhof der paters Jezuïeten, kapten hennen en eenden den kop af en staken ze in zakken.

Het nieuws van den moord van den E.H. pastoor van Haccourt, was ongelukkiglijk maar al te waar. De E.H. Edmond Tielen, uit Exel geboortig, werd inderdaad dienzelfden voormiddag doodgeschoten, doch in gansch andere omstandigheden. Hij werd niet gedood te Haccourt maar bij de kapel van Hallembaye onder zijne parochie gelegen. Toen men te Haccourt zag en vernam dat het gehucht Hallembaye, op den grooten steenweg gelegen, in brand stond, dat iedereen die kon de vlucht nam, sloeg ook te Haccourt zelf iedereen op de vlucht in de richting van Vivegnis en Hermalle. Daar kwam de akelige stoet van schreiende vrouwen, kinderen, ouderlingen een auto tegen waaruit twee Duitsche officieren stapten. Deze twee vroegere logeergasten van Mr. pastoor, vroegen wat er gaande was. De E. H. Tielen antwoordde: “Men brandt en moordt te Hallembaye, en niemand weet waarom.” “Maar, ‘t is onmogelijk!” wedervoeren deze officieren, “die orders zouden moeten van ons komen en wij weten van niets!” “Het is toch zoo!” “Kom maar terug met uw volk; wij zullen zorgen dat alles rustig wordt;’ gij zult niets meer te vreezen hebben.”
De pastoor liet zich gezeggen. Intusschen woedde de brand voort te Hallembaye. De pastoor bekommerd met de kapel van Hallembaye, en het Allerheiligste willende in veiligheid brengen, begaf zich naar ‘t gehucht, een goed kwartier verwijderd van Zijne pastorij. Daar aangekomen ziet hij in de verte een groepje officieren, die ondereen krakeelen en tegen elkaar vloeken en tieren. Dat waren de brandstichters die hunne daad wilden wit wasschen tegenover de twee hooger vermelde officieren uit den auto. Intusschen was de pastoor, vergezeld van een zijner koorknapen van Hallembaye, een jongentje van 13 jaren, kort hij de kapel gekomen, die reeds brandde. Hij wilde binnengaan om ‘t Allerheiligste te redden. Doch opeens springt een officier uit de groep vooruit, beveelt hem tegen de muur te gaan staan der kapel, schreeuwende: “wat komt gij hier zoeken?,
, wenkt eenige soldaten en op korter tijd dan ik noodig heb om het hier neer te schrijven lagen de pastoor en zijn koorjongen (een kind!) in hun bloed te zieltogen, elk doorboord door een vijftal kogels!
Wat was nu het begin van die brand en moordpartij te Hallembaye Haccourt?
Ziehier.’ een paard der Duitschers lag dood in de straten. De officieren komen bij. ‘t Is gauw geklonken.’ dat zijn de civielen geweest: “Man hat geschossen!” Men zag immers de plaats waar een kogel het paard
trof:

Een Belgisch veearts van Haccourt kwam bij en stelde een onderzoek voor: ‘t zou gemakkelijk zijn den kogel te vinden indien er een was en dan zou men zien van welk geweer zoo een kogel kwam. Zijne vrijpostigheid kostte hem bijna het leven. ‘t Was tijd dat hij ophield zijne medeburgers te willen redden van de ijselijke ramp, of hij zelf werd ter dood gedoemd!... Een paard lag kapot: dat was te erg voor de Duitschers, en daarom moesten 80 huizen worden platbrand, daarom moesten verscheidene slachtoffers het leven verliezen, daarom moest de E. H. pastoor Tielen en zijn misdienaartje worden doodgeschoten.

M.L Caris Heemkundekring Hechtel Eksel

Bron: “De Duitsche inval in Limburg. Augustus-October 1914 door den E.H. Jan Paquav” - Uitgebreide herdruk 2007. Kamiel Mertens, pp. 103-105.

logosbanner