poort kluis 1 png

 

 

2017flyervoorkant

 

  We zijn open op zaterdag en zondag

"Het dagelijkse leven en smokkel tijdens de Eerste Wereldoorlog"

vanaf 1 juli 2017 tot en met 29 oktober 2017 en van 7 april 2018 tot en met 27 mei 2018

Elke zaterdag en zondag van 12-16u (niet op Pinksteren) 

 (niet op maandag) Groepen op aanvraag

1920 - Als de kat van huis is

Opstel uit het jaarboek 1920-1921 van het letterkundig genootschap Unie Dulci
(Kleinseminarie te Sint-Truiden) originele tekst.


Als
kat van huis is Dansen de muizen op tafel of Holland in Nood.

Wij telden het jaar onzes Heeren 1918, rond den 12 November.
Rare geruchten liepen t’ allen kante over de Duitschers. Omtrent dezelfde tooneeltjes speelden zich af als in den beginne van den oorlog.
Overal liepen de menschen druk op en neer; op iederen hoek van een straat stonden nieuwsgierige groepen te praten en te stemmen. In de voordeuren der huizen stonden de vrouwen en dienstmaagd en te tongen en te klappijen over al de geruchten die de nieuwsgierige kinderen en mannen haar verteld hadden. Alle gezichten, drukken niet gelijk vier jaren te voren angst en schrik uit, doch lachten smakelijk zoo dikwijls ze een van die onnoozele grijzen zagen voorbij strompelen.

De kinderen liepen joelend van vreugde over de straten, want ook zij hadden zoo iets gehoord als wilden de Pruisen voor eenige dagen in verlof gaan.
Aan alle ramen werden Belgische strikjes verkocht en weldra liep gansch de joelende kindermen igte met mondmuziek de Brabançonne spelend over de drukbezochte straten.
Inderdaad de Pruisen gingen weldra in verlof doch voor onbepaalden tijd, en daarom zouden ze maar beter pak en zak meenemen.
Het was in die dagen dat ik ‘s morgens heel vroeg per velo de grens overstak om een familie in bezoek te brengen in Eindhoven.

Doch juist alsof het treffen wou, toen ik bijna aan de grens was, werd ik op eens gewaar mijn pas vergeten te hebben. Wat gedaan? Terugrijden? ‘t Was toch zoo ver.
Ik vatte dus al mijne moed nog eens samen en, in de hoop geen Duitschers te ontmoeten en de Hollanders wel om weten te praten reed ik verder.
Na eenige minuten rijdens kwam ik achter Achel aan de Hollandsche “groote wacht”. Halt! riep daar zoo een jong soldaatje. ‘k sprong af ging naar ‘t ventje toe en “goeden morgen” zei ik.
- Hej je eenen pas hij je?
Ik begon heel goedsmoeds in mijn binnenzak te tasten en haalde al dadelijk een papier uit dat zeer wel op mijnen pas geleek.
- Als ‘t u belieft. Hij ontplooide ‘t papier en,
- Dat is geenen pas Mijnheer! Gansch verslagen bezag ik nu eens ‘t papier dan weer ons ventje. zocht al spoedig in al mijn zakken doch, geen spoor was er te hooren of te zien van mijnen pas. Ondertusschen had ik zeer wel geroken aan zijnen stinkenden adem dat hij nog al redelijk diep in ‘t glas gekeken had en nog wel in ‘t wijnglas; en zonder zich verder om mijnen pas te bekommer en,
- Hej je geen goesting voor een paar sigaren of sigaretten? zei hij zoo, zijn hand reeds in zijnen vestzak stekend.
- 0 als ik er u een genoegen mee kan doen kom maar hier, een goei Hollandsche sigaar heb ik in lang niet meer gerookt.
- Ziet u, zei hij, terwijl hij me een gansche handvol toereikte, we hebben hier van nacht bezoek gehad van de Duitschers, die gaan er in België bijna uittrekken, en nouw hebben os die goeie lui zooveel sigaren, sigaretten en wijn gebracht as we wilden.
- Dat is nog zoo slecht niet! Nu laat den Duitsch maar gaan ik zie hem liever van achter dan van voren. Ondertusschen sprong ik op mijnen velo, bedankte ‘t soldaatje, zei hem nog eens “goeien dag” en weg was ik op Eindhoven af.
Onderweg nam ik de huizen en landstreken nog eens vluchtig in oogenschouw en zag dat Holland nog het oude van over vier jaren was. Alles was er stil en rustig.
Ook hij mijne aankomst te Eindhoven vond ik dit nog juist als vroeger, met dit verschil dat er op het marktplein een paar kanonnen stonden, eenige wagens en veldkeukens en verder eenige soldaten die, de bajonet op ‘t geweer, op en neer wandelden.
Na een paar dagen was ik het daar moede en nieuwsgierig om te weten wat er in Belgie omging besloot ik dan ook zoo spoedig mogelijk terug te keeren.
Doch welk verschil tegen eergisteren. Nauwelijks was ik te Valkenswaard in de stad aangekomen of ik bemerkte eene drukke beweging nog veel drukker dan een paar dagen te voren in Neerpelt. Allerlei gedachten vlogen door mijnen geest. Zou er oorlog zijn met Holland, of zouden de Duitscher Holland in geslagen zijn?
Mannen vrouwen en kinderen kwamen me tegen allen geladen met zakken, valiezen,kisten enz.
Hier liep een hondskar met zweetende honden bespannen, beschimmelde en verroeste kinderwagentjes wielden broederlijk nevens kruiwagens die schreeuwden en pieperden onder den zwaren last.
Verder buiten de stad op de heide tusschen Valkenswaard en Achel zag ik nog al menschenrijen komen, allen beladen met al wat naam had.
Ik had het al eens gewaagd hier of daar te vragen wat er te doen was, doch het eenigste antwoord dat uit de hijgende kelen kwam was: - wagens - Achel... Duitschers weg - gaan de kar halen enz. enz.
Eindelijk kwam ik daar zoo een klein manneke tegen dat een hoek wegs afgezakt was de heide in, om zich wat te rusten. Voor zich had het een grooten zwaren zak liggen en ‘t was juist bezeig een goede teug te drinken van een flesch morgen-wijn. ‘t Jongske scheen al lang gemarschecrd te hebben en zag er vermoeid uit.
- Wat hebt ge daar in dien zak? vroeg ik hem zoo, en waar komt ge vandaan?
- Daar ginder aan ‘t station van Achel staan wel honderd treinwagens en da kun je al krijgen wat je wilt; suiker, meel, sigaren, sigaretten, en al wa je uitdenken kunt.
- En wat heb ge in uwen zak?
Eenen ganschen zak petrolium-lampkens maar d’er zijn geen glazen op en ook geen pitten in, maar die zal d’er moeder wel in doen.
- Zijn er dan geen Pruisen meer daar?
-Die zijn deze nacht opgetrokken zeggen ze!

-Zoo dan ga ik eens zien. Goei reis!

Doch hoe meer haast hoe minder spoed. Het was me geen twee minuten mogelijk op mijnen velo
te blijven telkens moest ik afspringen voor de menschen die ik ontmoette ‘t zij per velo ‘t zij met kinder- of kruiwagens, die als een mieren-verhuizing rusteloos kwamen afgezakt door den langen zandweg, schreeuwend en tierend zat van den zoeten morgenwijn.
Doch wat een log gevaarte kwam ginder aangestooten door het stoffende zand, en wat een menigte! Onwillekeurig dacht ik aan het groote paard van Troje.
Doch neen, dat was het niet. Na het wat korter bij gezien te hebben bemerkte ik al spoedig dat het een zware roodkruis-auto was en weldra hoorde ik zeggen dat eenige Hollanders van Eindhoven
hun paard hadden gespannen voor het logge gevaarte, (want daar was ongelukkig geen motor meer aan en een wiel ging mank), om het zoo naar huis te brengen. Van binnen was het gansch
beladen met zakken suiker, meel, gansche kisten wijn en alle ander gerief tot zelfs duitsche kapotten.
Waarlijk Holland scheen dien dag in nood te zijn, nood aan brood, suiker en wijn vooral. Dat was niet alles.
Een eindje verder kwam ik een paar flinkje heertjes tegen, die zich half dood stieten ieder aan eenen “tuffer” zonder motor noch banden. Niemand nochtans had het fijner bedacht dan een paar groothandelaars, die natuurlijk op de markten nooit ontbreken.
Toen ik aan den ijzerweg kwam zag ik daar zachtjes een groote gesloten wagen aan komen gerold vergezeld van twee dikgebuikte mannen die niet opzagen tegen een paar druppels zweet en geene andere bekommernis hadden dan hunnen wagen een eindje ver op Hollandsch grondgebied te krijgen.
Volgens ik later hoorde zeggen van ooggetuigen, hadden die mannen zelf dien wagen gevuld met al wat ze maar grijpen en pakken konden geen andere leuze voor oogen hebbende dan “Hou wat je hebt en pak wat je krijgen kunt.” Weldra kwam de wagen ver genoeg de heide in om in reeds bestelde vrachtwagens de goedkoope waar over te laden.
Ook in de statie van Achel was menig schouwspel te zien. Drukker menschen beweging was nooit te zien. Hier was er ruzie tusschen Hollanders en Belgen; en ‘t was me een geroep van Hollandsche kaaskop en “Belze muiter” dat hooren en zien verging.
Waarlijk nooit heb ik de Hollanders drukker bezig gezien dan dien dag.
‘Als toch de kat maar van huis is”
‘Dansen de muizen op tafel!”

Fr. Daemen Neerpelt 1920

 

(Bron :  Heemkundekring Achel 2014)

logosbanner