poort kluis 1 png

 

 

2017flyervoorkant

 

 

"Het dagelijkse leven en smokkel tijdens de Eerste Wereldoorlog"

WE HOUDEN EEN WINTERSTOP

GESLOTEN TOT EN MET 6 APRIL 2018

terug open vanaf 7 April 2018 tot 27 mei 2018

De locale netwerken in België en Noord-Frankrijk

10 11 Spionnen luisteren meeDe Duitsers slaagden er tijdens de Eerste Wereldoorlog niet in om een spionagenetwerk van agenten uit te bouwen in Groot-Brittannië. Evenmin slaagden de Britten, noch de Fransen noch de Belgen erin om een dergelijk netwerk uit te bouwen in Duitsland.
Dat lukte voor de geallieerden wel in de door Duitsland bezette gebieden van België en Noord-Frankrijk. De agenten werden gerekruteerd uit Belgische en Franse vluchtelingen en via Nederland terug naar hun thuisland gebracht. Zij zorgden dan voor meer medewerkers, soms ganse families.
Ze werden gedreven door patriottisme, haat tegen de gewelddadige bezetter of geldelijk gewin.
In de meer dan vier jaren durende oorlog werden er meer dan 250 netwerken in het bezet gebied opgezet, samen goed voor meer dan 7.000 medewerkers.
De meeste netwerken bestonden uit slechts enkele tientallen agenten, maar sommige, zoals La Dame Blanche en Oram, hadden 1.000 of meer agenten in dienst.

Structuur van de locale spionagenetwerken

11 01 Kaartje met de verschillende stappen voor het versturen van berichtenBij de aanvang van de oorlog hadden de meeste netwerken nog een losse structuur. Iedereen kende elkaar en er was zelfs samenwerking met andere diensten. Het was dan ook niet moeilijk voor de Duitsers om, na het onderscheppen van één agent, een volledige dienst of zelfs meerdere diensten tegelijk te ontmantelen.
Later ontstond, met de hulp van de geallieerde diensten, een op militaire basis georganiseerde structuur. Vooral van belang werd de stroomlijning van de activiteiten (indeling in types van agenten) en het invoeren van de compartimentering (zo weinig mogelijk schakels in het netwerk waren nog bekend bij de agenten, zodat ze bij arrestatie ook maar weinig of geen namen van andere agenten konden loslaten). Dit gebeurde vooral door het invoeren van brievenbussen. Deze waren vaste plekken (nis in muur, holte in boom, ...) of vaste adressen, waar de berichten door een koerier konden worden achtergelaten en door een volgende weer worden opgepikt.

Er waren vijf types van agenten in een netwerk:
• waarnemers
• codeerders (meestal de plaatselijke leiders)
• koeriers (transport van berichten in het binnenland en tot aan de grens via brievenbussen)
• berichtensmokkelaars (passeurs over de grens)
• contactpersonen in Nederland

logosbanner